Koeienoog - Telekia speciosa
Composietenfamilie - Asteraceae
Bijenplant, hommelplant, drachtplant, vlinderplant.
Een overblijvende (vaste) plant
Bloeiperiode: juli-september
Bloem: geel, bloeiwijze min of meer tuilvormig vertakt, alleenstaande hoofdjes
Blad: onderste bladeren gesteeld en hartvormig aan de basis, bovenste ongesteeld
Vrucht: nootje zonder vruchtpluis
Overige: steel zacht behaard
Hoogte: 1,0-2,0 m
 
 
 
 
 
Milieu en groeiplaats: vochtige, neutrale, matig voedselrijke niet zure bodems; zonnig-licht beschaduwd. Natuurlijk standplaats vaak open houtige begroeiingen (kreupelhout) en langs beken.
Herkomst en verspreiding in Nederland: Midden- en Zuidoost Europa; de plant verwildert gemakkelijk op landgoederen en grote tuinen; nu en dan ook in de openbare ruimte.
Toepassing: tuinen, parken, openbaar groen; vooral in tuinen, parken en landgoederen. Wordt vooral als solitair aangeplant, vooral bij waterpartijen, maar onder gunstige omstandigheden zaait deze plant zich uit.
Beheer: kan zich in matig ruigte lang handhaven; eventueel in vroege herfst maaien; overgroeiing met houtige soorten voorkomen.
Wilde solitaire bijen:
  Tronkenbij Heriades truncorum  
  Tuinbladsnijder Megachile centuncularis  
  Grasbij Andrena flavipes  
  Roodpotige groefbij Halictus rubicundus  
  Gewone kegelbij Coelioxys inermis  
Dracht: nectar en oranje stuifmeel. Indicatie voor dracht: code 3.
 
Plaat (Bron: Curtis’s botanical magazine; or flower garden displayed. Conducted by Samual Curtis. London, Samual Curtis, 1836, volume 63 (plate 3466).
 
Plaat
 
Plant verwilderde plant op Engels landgoed
 
Plant in Botanische tuin Utrecht
 
Blad is groot en aan de voet hartvormig
 
Fragment plant
 
Bloeiwijze
 
Bloem
 
Bloemknop
 
Grasbij (een zandbij)
 
Grasbij
 
Tronkenbij
 
Tronkenbij
 
Tuinbladsnijder
 
Tuinbladsnijder
 
Dagpauwoog met tuinbladsnijder
 
Dagpauwoog met tuinbladsnijder
 
Dagpauwoog me ttuinbladsnijder
 
Dagpauwoog met aardhommel
 
Dagpauwoog met aardhommel